Die dag in 2007 liep ik bij De Kuip Joop van Daele tegen het lijf. Het was een doordeweekse dag in november en de legendarische verdediger van weleer kwam even kijken bij zijn club, die na zes speelrondes al 15 punten had behaald. Na een dramatisch seizoen had Feyenoord met de dragende krachten Giovanni van Bronckhorst, Roy Makaay en Kevin Hofland de weg naar boven weer gevonden en heel Feyenoord-liefhebbend Rotterdam verkeerde in een hossana-sfeer.
Zo ook Joop van Daele. De immer vriendelijke Rotterdammer was zichtbaar opgetogen en stak onmiddellijk de loftrompet af over het vertoonde spel van zijn Feyenoord. “Ik vind Feyenoord zeer aantrekkelijk spelen”, zei hij. “Een paar jaar niet gebeurd dat we op deze manier verwend worden door het veldspel van Feyenoord.” Toen kwam de trainer in Joop van Daele naar boven. “Dat goede spel heeft alles te maken met de beweging zonder bal”, vertrouwde hij mij toe.
Tot zover kon ik me prima vinden in de visie van de man, die ooit wereldberoemd werd toen zijn ziekenfondsbril werd kapotgestampt in de finale om de Wereldbeker Argentinië. Enfin, u kent dat verhaal vast wel. Daarom zal ik het u besparen. Terwijl dat verhaal nogmaals door mijn hoofd schoot, continueerde Van Daele zijn verhaal. “Enige kanttekening die ik erbij wil maken”, haalde hij mijn aandacht terug, “is dat het elftal op de lange termijn misschien té aanvallend speelt. Omdat normaal de verhouding bij balbezit 6-4 is, en bij Feyenoord is dat 5-5.”
‘Het zal allemaal wel’, dacht ik, ‘we staan toch maar mooi weer bovenin’. “Feyenoord krijgt nu uiteraard wel het krediet wat ze verdienen”, vervolgde Van Daele, “maar ik denk dat je op de lange termijn tegen de grotere clubs in de problemen geraakt.” En inderdaad, Feyenoord verloor dat seizoen drie van de vier duels tegen de andere clubs in de traditionele top-3. Alleen thuis tegen Ajax werd er gelijkgespeeld.
Ik had lang niet meer aan deze conversatie gedacht, totdat ik Johan Derksen na de wedstrijd tegen FC Twente hoorde zeggen dat hij in Feyenoord nu toch wel een kampioenskandidaat zag. Hij was ongeveer net zo positief over Feyenoord als ik destijds, in het najaar van 2007. Er waren nog meer gelijkenissen tussen nu en die novemberdag in 2007. Zo had Feyenoord net als nu een rotseizoen achter de rug met een vertrokken trainer en was daar een ‘verloren zoon’ als vervanger voor teruggekomen.
Maar terwijl ik luisterde naar de loftrompet van de alom bekende hoofdredacteur van de Voetbal International, besefte ik dat zijn woorden me noch een gevoel van trots, noch een gevoel van zekerheid gaven. De enige die mij namelijk voortaan zekerheid kan geven over het wel en wee van Feyenoord is Joop van Daele. Ik denk dat ik binnenkort maar weer eens naar De Kuip ga om te kijken of ik hem toevallig tegen het lijf loop. Dan weet ik ten minste weer een beetje waar ik aan toe ben.